Rechter moet ambtshalve kunnen ingrijpen bij schending taalwet gerechtszaken

Het Grondwettelijk Hof vindt dat rechters proceshandelingen ambtshalve moeten kunnen nietig verklaren als ze ingaan tegen de taalregels in gerechtszaken. Door hen die mogelijkheid te ontnemen, komt het recht op een eerlijk proces of de behoorlijke rechtsbedeling immers in het gedrang, aldus het Hof.

De regels over het taalgebruik in gerechtszaken zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Vroeger moest de rechter de nietigheid ambtshalve uitspreken. Sedert de wet van 25 mei 2018 over de werklastvermindering is dat niet meer het geval. De rechter kan de nietigheid van een proceshandeling alleen nog uitspreken als een procespartij de nietigheid in limine litis opwerpt en zij kan aantonen dat haar belangen zijn geschaad door die schending van de taalregels.

Het Grondwettelijk Hof vindt dat die regel voor problemen kan zorgen: het niet naleven van de taalwet in gerechtszaken kan immers ook de belangen van bijvoorbeeld de rechter zelf schaden. Of van andere partijen. Door de rechter niet ambtshalve te laten ingrijpen kan hij bv. verplicht worden om kennis te nemen van processtukken in een andere taal dan de rechtsplegingstaal die geldt in zijn rechtscollege. Een taal die hij wettelijk eigenlijk niet moet kennen. De waarborg dat de rechter voorafgaand aan zijn beslissing op gepaste wijze kan kennisnemen van de grieven en argumenten van de partijen is, valt hiermee weg.

Het Grondwettelijk Hof vindt dat het recht op een eerlijke proces en een behoorlijk rechtsbedeling hierdoor niet langer gegarandeerd is en vernietigt artikel 5 van de wet van 25 mei 2018.

Bron: GwH 19 september 2019, nr. 120/2019

Zie ook:
Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (art. 40)
Wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, BS 30 mei 2018 (art. 5)