Eindelijk uitvoeringsbesluit voor wijzigingen aan rechtsplegingsvergoeding uit 2010

De rechtsplegingsvergoeding (RVP) is in 2010 op tal van punten bijgestuurd. Maar omdat er geen uitvoeringsbesluit volgde, is de wet van 21 februari 2010 nooit in werking getreden. Tot nu. De federale regering komt dan toch over de brug met de nodige uitvoeringsregels.

De aanpassingen aan het KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding van 26 oktober 2007 treden, net als de wet van 21 februari 2010, in werking op 20 april 2019.

Wetswijzigingen van 2010 tegen misbruik van systeem

De wet van 21 februari 2010 zorgt voor een reeks aanpassingen aan de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Hiermee wil de wetgever 'onbillijke situaties' en misbruik van het systeem verhelpen, zonder de aard van de verhaalbaarheid te veranderen. Door de wet

kunnen partijen die op de inleidende zitting verschijnen en de rechtsvordering niet betwisten, enkel nog enkel nog veroordeeld worden tot de minimumvergoeding. Ook wanneer ze alleen uitstel van betaling vragen, is de RPV beperkt tot het minimum. Let op: deze regels gelden alleen wanneer alle verliezende partijen dezelfde houding aannemen. Deze aanpassingen moeten vermijden dat partijen met opzet verstek geven

moet de Staat geen RVP meer betalen wanneer het openbaar ministerie een rechtsvordering in burgerlijke zaken instelt (bv. familiezaken, handelszaken, jeugdbescherming) en de zaak verliest. Ook bij rechtsvorderingen van de arbeidsauditeur voor de arbeidsgerechten zal er bij verlies geen vergoeding verschuldigd zijn. Deze vrijstellingen moeten openbaar ministerie en arbeidsauditoraat in staat stellen om hun rechtsvordering in volle onafhankelijkheid uit te oefenen. Ze doen dit immers in het algemeen belang

geldt een nieuwe RVP-regeling bij geschillen met tussenvorderingen of meerdere partijen. Zo zal één RVP worden toegekend per gerechtelijke band

moet de burgerlijke partij in strafzaken die rechtstreeks heeft gedagvaard en ongelijk heeft gekregen, een RPV moeten betalen aan de beklaagde of ? en dit is nieuw - de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon.

Regels voor berekening RVP gewijzigd

Om de wetswijzigingen te kunnen uitvoeren, moeten de regels voor de berekening van het bedrag van de RVP in het KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding van 26 oktober 2007 worden aangepast:

de begrippen gerechtelijke band en aanleg krijgen een plaats in het besluit. Er zal in casu maar één RVP worden toegekend per gerechtelijke band. Wanneer binnen een gerechtelijke band meerdere partijen de RVP ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag maximum het dubbel van de maximale RVP waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter verdeeld tussen de partijen. Dit moet ?verveelvoudiging? van rechtsplegingsvergoedingen vermijden

er is geen RVP verschuldigd bij een vonnis van onbevoegdheid. In dat geval moet de RVP worden uitgesloten.

artikel 560 van het Gerechtelijk Wetboek wordt uitgesloten voor de vaststelling van het bedrag van de RVP

de toekenning van een RVP bij verstek is voortaan in de wet geregeld en wordt dus geschrapt in het KB

Bron: Koninklijk besluit van 29 maart 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering, BS 10 april 2019.