Omvorming van vereniging naar vennootschap: wetgever regelt overgang van rechtspersonenbelasting naar vennootschapsbelasting

De wet van 17 maart 2019 regelt, voor verenigingen die zich omvormen tot een vennootschap, de overgang van de rechtspersonenbelasting (RPB) naar de vennootschapsbelasting (Ven.B.).

Deze wet kadert in de invoering van het nieuwe 'Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV)' dat weldra wordt verwacht.

Deze nieuwe regeling is van toepassing vanaf het aanslagjaar verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2019.

Gebaseerd op model voor de intercommunales

De wetgever legde al eerder specifieke regels vast voor de overdracht van de RPB naar de Ven.B. voor Euronext, de Nationale Loterij en bpost, maar ook voor intercommunales (art. 26, PW 2015) en voor havenbedrijven (wet van 29 mei 2018).
Gezien de specifieke uitzonderingen voor haveninfrastructuur, waarvoor een meer specifieke behandeling van subsidies en herwaarderingswinsten nodig is, heeft de wetgever zich gebaseerd op het model voor de intercommunales om het juridisch kader voor de overgang van RPB naar Ven.B. vast te leggen.

Afgezien van enkele technische aanpassingen, zoals de vervanging van de term 'intercommunale' door 'rechtspersoon', en bepaalde terminologische aanpassingen in overeenstemming met de omvorming van het 'Wetboek van Vennootschappen' (W.Venn.) tot het 'Wetboek van vennootschappen en verenigingen' (WVV), zijn de regels in deze nieuwe wet identiek aan die van de intercommunales.

Voorwaarden voor overgang van RPB naar Ven.B.

Volgens de wet van 17 maart 2019 vindt de overgang van een voorheen aan de RPB onderworpen rechtspersoon naar de Ven.B. plaats onder de volgende voorwaarden (nieuw art. 184quinquies, WIB 1992; ingevoerd door art. 1, wet van 17 maart 2019):

onder voorbehoud van de bepaling van artikel 184ter, § 1, eerste lid, het deel van het kapitaal, van de uitgiftepremies, van de bedragen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen of van andere inbrengen in geld of in natura, dat voorheen werkelijk werd gestort en waarvan geen terugbetaling of vermindering heeft plaatsgevonden tijdens de boekjaren afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen, wordt aangemerkt als gestort kapitaal in de zin van artikel 184 onder de voorwaarden bedoeld in het eerste tot derde lid van dat artikel;

de voorheen gereserveerde winsten, al dan niet geïncorporeerd in kapitaal, en de voorzieningen voor risico?s en kosten die door de rechtspersoon zijn geboekt in de jaarrekening m.b.t. het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen, worden als reeds belaste reserves beschouwd;

de herwaarderingsmeerwaarden en de kapitaalsubsidies die door de rechtspersoon zijn geboekt in de jaarrekening m.b.t. het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen, worden slechts vrijgesteld voor zover ze op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt blijven en niet tot grondslag dienen voor enige beloning of toekenning;

de kosten die werkelijk door de rechtspersoon worden gedragen tijdens een aanslagjaar dat aanvangt vanaf de eerste dag van het aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een voorziening voor risico?s en kosten in de zin van de boekhoudwetgeving die werd aangelegd tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de RPB was onderworpen, zijn als beroepskosten aftrekbaar voor het aanslagjaar tijdens hetwelk zij werkelijk zijn gedragen voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 49;

definitieve verliezen op activa, die door de rechtspersoon zijn verwezenlijkt in de zin van artikel 49 tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een waardevermindering geboekt tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de RPB was onderworpen, zijn als beroepskosten aftrekbaar voor het aanslagjaar gedurende hetwelk deze werden gerealiseerd;

de in hoofde van de rechtspersoon in aanmerking te nemen afschrijvingen, min- of meerwaarden op activa worden bepaald alsof de rechtspersoon altijd aan de Ven.B. onderworpen is geweest;

de door de rechtspersoon voorheen geleden verliezen die zijn geboekt in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen, mogen niet in rekening worden gebracht voor de bepaling van de belastbare grondslag van aanslagjaren voor dewelke de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen.

Elke terugname van een hierboven vermelde waardevermindering zal, in voorkomend geval, het voorwerp uitmaken van een verhoging van de begintoestand van de belaste reserves van het desbetreffende aanslagjaar ten belope van het bedrag van deze terugname.

Wanneer bij het onderzoek van de boekhouding over een belastbaar tijdperk voor hetwelk de rechtspersoon aan de Ven.B. is onderworpen, onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva vermeld in artikel 24, eerste lid, 4° worden vastgesteld, worden deze, in afwijking van artikel 361, niet als winst van dit belastbaar tijdperk aangemerkt op voorwaarde dat de rechtspersoon aantoont dat deze hun oorsprong vinden tijdens een belastbaar tijdperk voor hetwelk zij aan de RPB onderworpen was.

Opheffing

De wet van 17 maart 2019 heft artikel 26 van de programmawet van 19 december 2014 op.

Dit artikel bevat bepalingen die specifiek gericht zijn op de overgang naar de Ven.B. van een intercommunale, een samenwerkingsverband of een projectvereniging. Vermits deze bepalingen ook opgenomen zijn in de nieuwe regeling, is dit artikel 26 overbodig geworden.

Bron: Wet van 17 maart 2019 tot regeling van de overgang van de onderwerping aan de rechtspersonenbelasting naar de onderwerping aan de vennootschapsbelasting, BS 3 april 2019.

Zie ook:
- Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992, BS 30 juli 1992 (WIB 1992) (art. 24, art. 49, art. 184, art. 184ter, nieuw art. 184quinquies en art. 361).
- Wet van 29 mei 2018 tot bepaling van de voorwaarden van overgang bij de onderwerping aan de vennootschapsbelasting van havenbedrijven, BS 29 mei 2018.
- Programmawet van 19 december 2014, BS 29 december 2014 (PW 2015) (art. 26)