Ook verwerpingsarresten van Raad van State stuiten verjaring

Een beroep bij de Raad van State stuit de verjaring, ook al leidt het niet tot een vernietigingsarrest. Dat heeft het Grondwettelijk Hof beslist in zijn arrest van 28 februari 2019. Het Hof vernietigt het woord 'vernietigde' in artikel 2244, § 1, derde lid van het Burgerlijk Wetboek.

Volgens het huidige artikel 2244 BW hebben de bij de Raad van State ingestelde beroepen die uiteindelijk tot een vernietigingsarrest leiden, een verjaringsstuitende werking. Op die manier wil de wetgever vermijden dat - door de lange wachttijden bij de Raad van State - de vordering tot schadevergoeding voor de burgerlijke rechtbank al verjaard is op het moment dat de rechtzoekende lang na het instellen van zijn beroep bij de Raad van State de vernietiging van de bestreden bestuurshandeling verkrijgt.

Het beroep bij de Raad van State dat uiteindelijk leidt tot een verwerpingsarrest heeft die verjaringsstuitende werking op dit moment niet. Wat betekent dat de verzoeker geen vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter meer kan instellen als de Raad van State het beroep verwerpt en die uitspraak er komt nadat de termijn om een beroep in te stellen bij de burgerlijke rechter is verstreken. Nochtans kan de verzoeker - ook bij een verwerping van het beroep - schade hebben, bijvoorbeeld wanneer de Raad van State het beroep verwerpt omdat de verzoeker geen belang meer heeft. Om hun recht op schadevergoeding te vrijwaren stellen verzoekers daarom vaak meteen een vordering bij de burgerlijke rechter in, op het moment dat ze hun beroep bij de Raad van State indienen. Iets wat proceseconomisch niet te verantwoorden is, zeker niet als later blijkt dat de Raad van State het beroep ten gronde afwijst.

Het Hof vindt dat het verschil tussen vernietigingsarresten en verwerpingsarresten op het vlak van de verjaringsstuitende werking niet kan. Om zijn rechten te vrijwaren is de verzoeker op dit moment eigenlijk immers altijd verplicht om een vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter. Dat is de enige manier om er zeker van te zijn dat zijn vordering niet zal verjaren. Niemand weet immers welke beslissing de Raad van State zal nemen en hoelang die beslissing op zich zal laten wachten.

Die werkwijze kan alleen vermeden worden als zowel aan de vernietigingsarresten als aan de verwerpingsarresten verjaringsstuitende werking wordt toegekend. En daar zorgt het Grondwettelijk Hof nu voor. Op voorhand een vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter indienen is hierdoor dus niet meer nodig.

Bron: GwH 28 februari 2018, nr. 40/2019

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 2244)
GwH 8 november 2018, nr. 148/2018