Territoriaal bevoegde familierechtbank niet meer vrij te kiezen bij EOT (art. 29 en 49 Wet Werklastvermindering Justitie)

Echtgenoten kunnen bij een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming (EOT) niet langer volledig vrij kiezen bij welke rechtbank van eerste aanleg ze hun verzoekschrift indienen. Ze kunnen enkel kiezen voor de rechtbank van eerste aanleg van een van hun huidige woonplaatsen. Ze moeten het hierover wel eens zijn. Lukt dat niet, dan is de rechtbank van de plaats van de laatste echtelijke verblijfplaats bevoegd. Tot nu hadden deze echtgenoten een volledige keuzevrijheid en konden ze zelf bepalen bij welke rechtbank van eerste aanleg ze hun verzoekschrift indienden.

Met deze verstrenging wordt vermeden dat bepaalde familierechtbanken overbelast geraken. De keuze van een bepaalde rechtbank voor de echtscheidingsprocedure is immers vaak bepalend voor de daaruit volgende procedures voor de familierechtbank.

De nieuwe territoriale bevoegdheidsregel bij echtscheiding door onderlinge toestemming leunt dicht aan bij die in geval van echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting. Bij deze echtscheidingsgrond is al langer een bevoegdheidsregeling van toepassing: een verzoekschrift kan bij echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting ingediend worden bij de rechtbank van de laatste echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats van de verweerder.

Nog dit. Bij beide territoriale bevoegdheidsregelingen moet steeds rekening gehouden worden met de bijzondere territoriale bevoegdheidsregels uit art. 629bis Ger.W.

De artikelen 29 en 49 van de wet van 25 mei 2018 treden in werking op 1 september 2018.

Bron: Wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, BS 30 mei 2018 (art. 29 en 49 Wet Werklastvermindering Justitie)

Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 628 en 1288bis)