Verdachte en benadeelde persoon: recht op inzage of afschrift dossier in fase opsporingsonderzoek (art. 3 Verzamelwet Strafrecht en Strafvordering)

Het Wetboek van Strafvordering omvat voortaan een procedure voor de behandeling van de verzoeken van de verdachte of van diegene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd tot het verkrijgen van inzage of afschrift van het dossier in de fase van het opsporingsonderzoek.

Daarmee komt de wetgever tegemoet aan arrest 67/2017 van het Grondwettelijk Hof. In dit arrest oordeelde het hof dat artikel 21bis van het Wetboek van Strafvordering artikel 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het niet voorziet in een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontstentenis van een beslissing door het openbaar ministerie ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd verzoek om toegang tot een dossier in het opsporingsonderzoek.

Schending

Door de Justitiewet van 27 december 2012 werd het recht om inzage in het strafdossier of een afschrift ervan te verkrijgen ingevoerd in het Wetboek van Strafvordering voor àlle rechtstreeks belanghebbenden in het opsporings- en gerechtelijk onderzoek. Indien de onderzoeksrechter in het gerechtelijk onderzoek het verzoek afwijst of als hij geen uitspraak heeft gedaan, kan de verdachte op basis van artikel 61ter §5-6 Sv. hoger beroep aantekenen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij een met redenen omkleed verzoekschrift dat wordt neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

Maar in de fase van het opsporingsonderzoek ging het (tot aan het arrest) om een discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie waartegen geen beroepsmogelijkheid was voorzien. Dat er geen beroep mogelijk is bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontstentenis van een beslissing van het openbaar ministerie t.a.v. een door de verdachte geformuleerd verzoek tot inzage in het dossier tijdens het opsporingsonderzoek vormde volgens het hof dan ook een schending van artikel 10 en 11 van de Grondwet.

Procedure in Wetboek van Strafvordering

Met de Verzamelwet Strafrecht, Strafvordering en Gerechtelijk Recht wordt nu tegemoet gekomen en dit oordeel. De wetgever creëert in het Wetboek van Strafvordering een specifieke procedure voor de behandeling van de verzoeken van de verdachte of van degene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd tot het verkrijgen inzage of afschrift van het dossier in de fase van het opsporingsonderzoek. En dat naar analogie met artikel 61ter Sv. en artikel 28sexies Sv. over het strafrechtelijk kortgeding in het opsporingsonderzoek.

Beperkingen

De mogelijkheid om een verzoek te formuleren wordt beperkt tot de dossiers die misdaden en wanbedrijven betreffen. Voor wanbedrijven die tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoren, bestaat deze mogelijkheid alleen voor de wanbedrijven bedoeld in artikel 138, 6°bis en 6°ter en voor de misdrijven waarvoor bij toepassing van artikel 68 van de Wegverkeerswet, de verjaringstermijn 3 jaar bedraagt. Wat die laatste betreft, gaat het over verkeerswanbedrijven waarbij letsels werden veroorzaakt.

12 mei 2018

Dit onderdeel van de Verzamelwet van 18 maart 2018 is van kracht sinds 12 mei, 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Bron: Wet van 18 maart 2018 houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht, BS 2 mei 2018. (art. 3 Verzamelwet Strafrecht en Strafvordering)

Zie ook
GwH 25 januari 2017, nr. 6/2017.
Wetboek van Strafvordering.