Hervorming insolventierecht ondernemingen: nieuwe regels voor vrije beroepen

Op 1 mei 2018 trad het hervormde insolventierecht van ondernemingen in werking. De wet van 11 augustus 2017 maakte alle wetgeving over de insolventie van ondernemingen coherent en voegde ze als een rationeel geheel in, in Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht (WER).

Ook de vrije beroepers vallen onder deze wet. Tot nog toe konden zij de boeken niet neerleggen. Maar, net als alle ondernemers, kunnen zij voortaan hun onderneming aanpassen, laten beschermen of laten ophouden.

Een KB van 26 april 2018 bevat de regels voor de toepassing van Boek XX Insolventie van ondernemingen? van het WER op de beoefenaars van een vrij beroep en hun verenigingen (art. XX.1, § 1, laatste lid, WER).

Deze nieuwe regels treden in werking op 1 mei 2018.

Hervorming insolventierecht van ondernemingen

Vóór de grondige hervorming werd de insolventie van ondernemingen geregeld door de 'faillissementswet van 8 augustus 1997' en de 'wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen' (het vroegere 'gerechtelijk akkoord'). De wet van 11 augustus 2017 bracht beide wetten samen in Boek XX. van het WER, en maakte ze doeltreffender en performanter.

De wet van 11 augustus 2017 introduceerde ook nog enkele opmerkelijke vernieuwingen, zoals bv. de elektronische insolventieprocedure (Centraal Register Solvabiliteit).

En ook de beoefenaars van een vrij beroep vallen onder de wet van 11 augustus 2017. Tot nog toe konden de vrije beroepers de boeken niet neerleggen. Maar sinds 1 mei 2018 kunnen zij, net als alle ondernemers, hun onderneming aanpassen, laten beschermen of laten ophouden.
Niet alleen handelaars, maar ook vrije beroepen, landbouwentiteiten, vzw's en alle natuurlijke personen met een zelfstandige activiteit kunnen nu failliet gaan.

Toepassingsgebied Boek XX van het WER

Het WER definieert een 'beoefenaar van een vrij beroep' als ?elke onderneming wiers activiteit er hoofdzakelijk in bestaat om, op onafhankelijke wijze en onder eigen verantwoordelijkheid, intellectuele prestaties te verrichten waarvoor een voorafgaande opleiding en een permanente vorming is vereist en die onderworpen is aan een plichtenleer waarvan de naleving door of krachtens een door de wet aangeduide tuchtrechtelijke instelling kan worden afgedwongen? (art. I.1, 14°, WER).

Alle bepalingen van Boek XX van het WER die betrekking hebben op de beoefenaars van een vrij beroep zijn zowel van toepassing op natuurlijke personen als op de rechtspersonen waarbinnen de vrije beroepers hun activiteiten als onderneming uitoefenen. In de laatste hypothese kunnen vennoten-vrije beroepers zowel natuurlijke personen als rechtspersonen zijn.

De bepalingen die betrekking hebben op de vrije beroepers uit Boek XX gelden ook voor de vergunninghouders van een apotheek (art. 8, gezondheidszorgberoepenwet).

Wanneer de vrije beroeper actief is in een multidisciplinair samenwerkingsverband of onderworpen is aan het toezicht van meerdere tuchtrechtelijke instellingen verantwoordelijk voor verschillende beroepsactiviteiten, moeten alle bevoegde organen gelijktijdig worden geïnformeerd.

Kennisgeving aan en adviezen van de Ordes en Instituten

Boek XX van het Wetboek van economisch recht voorziet in een aantal kennisgevingen (o.m. kennisgeving bij insolventie) gericht aan de Ordes of Instituten. Het KB van 26 april 2018 legt per beroepsgroep vast aan welk bevoegd orgaan binnen de Orde of het Instituut deze kennisgevingen moeten worden gericht.

De kennisgevingen, die volgens Boek XX van het WER aan de Ordes en Instituten moeten worden gedaan, moeten gebeuren aan volgend orgaan:

advocaten: de Stafhouder van de hoofdbalie;

gerechtsdeurwaarders: de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders;

notarissen: de Nationale Kamer van notarissen;

apothekers: de Nationale Raad van de Orde der Apothekers;

artsen: de Nationale raad van de Orde der Artsen;

dierenartsen: de Nederlandstalige Gewestelijke Raad Orde der Dierenartsen of le Conseil régional francophone de l?Ordre des Médecins vétérinaires, naargelang de schuldenaar onderworpen is aan hun respectievelijk toezicht;

psychologen: de Psychologencommissie;

architecten: de Vlaamse Raad van de Orde van Architecten of le Conseil francophone et germanophone de l?Ordre des Architectes, naargelang de schuldenaar onderworpen is aan hun respectievelijk toezicht;

vastgoedmakelaars: het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars;

bedrijfsrevisoren: het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren. De kennisgevingen met betrekking tot geplande plaatsopnemingen, zoals bedoeld in artikelen XX.25, § 3 en XX.133 van het WER, moeten gericht worden aan het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR);

boekhouders en boekhouders-fiscalisten: het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF);

accountants en belastingconsulenten: het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (IAB).

De rechtbank kan ook verzoeken tot advies richten aan de bevoegde Orde of het bevoegde Instituut. Zo kan ze bijkomende informatie inwinnen om voldoende rekening te kunnen houden met de eigenheid van een bepaalde vrije beroepsactiviteit.
Het KB van 26 april 2018 somt per beroepsgroep (zelfde beroepen als hierboven) op aan welk bevoegd orgaan binnen de Orde of het Instituut dergelijke verzoeken tot advies moeten worden gericht (art. 5, KB van 26 april 2018).

De verzoeken tot advies en de kennisgevingen gericht aan de Ordes of Instituten, gebeuren via het 'Centraal Register Solvabiliteit', volgens de voorschriften van artikel XX.9 van het WER.

De rechtbank kan, vooraleer ze beslist over de opening van een insolventieprocedure, nagaan bij de bevoegde Orde of het bevoegd Instituut of de insolvente schuldenaar in kwestie wel degelijk beschouwd kan of mag worden als beoefenaar van een vrij beroep. Het valt niet uit te sluiten dat een persoon met financiële problemen niet langer actief kan of mag zijn als beroepsbeoefenaar, maar zich wel nog zo voordoet. Het bevoegd orgaan van de Orde of het Instituut kan de rechtbank hieromtrent meer informatie verschaffen.

Mede-insolventiefunctionaris

Als de schuldenaar een beoefenaar van een vrij beroep is en de rechtbank een mede-insolventiefunctionaris moet aanstellen, zal de rechtbank een kandidaat selecteren die op de lijst van personen staat die de rechtbank kan aanduiden als insolventiefunctionaris. De Ordes en Instituten stellen deze lijst op. Hij wordt jaarlijks bijgewerkt en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (art. XX.20, § 1, laatste lid, WER).

Als ze een mede-insolventiefunctionaris moet aanstellen, kan de rechtbank bij de betrokken Orde of het Instituut advies inwinnen over de meest geschikte kandidaat. Wanneer er geen insolventiefunctionaris beschikbaar is, moet de rechtbank aan de bevoegde Orde of het bevoegde Instituut vragen om binnen een door haar bepaalde termijn één of meerdere geschikte kandidaat-insolventiefunctionarissen aan haar voor te stellen.

Uitgezonderd voor de bedrijfsrevisoren en de advocaten, zal de rechtbank de beide verzoeken voor de beroepsgroepen die hierboven zijn opgesomd, richten aan de bevoegde organen.
Is de schuldenaar een bedrijfsrevisor, dan zal de rechtbank deze verzoeken richten aan het IBR.
Als de schuldenaar een advocaat is, zal de rechtbank deze verzoeken richten aan de Orde van Vlaamse Balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone.

Lijst van mede-insolventiefunctionarissen

De bevoegde Orde of het bevoegde Instituut maakt de lijst van mede-insolventiefunctionarissen op en beoordeelt of de beroepsbeoefenaars voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel XX.20, § 1 en desgevallend in artikel XX.123 van het WER.

De lijst van mede-insolventiefunctionarissen bevat volgende informatie:

naam, beroep en contactgegevens van de kandidaat;

de opdrachten waarvoor men zich kandidaat stelt;

één of meer rechtsgebieden waarin de kandidaat zijn opdracht wenst uit te oefenen;

de taal van de dossiers waarin de kandidaat wenst op te treden.

De Ordes en Instituten leggen jaarlijks en uiterlijk op 31 december de geactualiseerde lijst van mede-insolventiefunctionarissen neer in het 'Centraal Register Solvabiliteit'.

Opdracht mede-insolventiefunctionaris

De mede-insolventiefunctionaris staat de insolventiefunctionaris bij in de afwikkeling van de insolventieprocedure en verstrekt o.a. advies omtrent de beroepstechnische aspecten en de regels die voortvloeien uit de plichtenleer.

De medecurator zal aan de brievenpost gericht aan de gefailleerde vrije beroeper het meest passende gevolg geven (art. XX.143, WER).

Derdenrekeningen zijn in beginsel niet onderworpen aan de gevolgen van de insolventieprocedure. Schuldeisers kunnen geen verhaal uitoefenen op deze rekeningen. De mede-insolventiefunctionaris beheert deze derdenrekeningen tijdelijk en zorgt ervoor dat deze gelden worden overgemaakt aan de rechthebbenden.

De mede-insolventiefunctionaris treft de nodige maatregelen opdat de geldende regels voor bewaring van dossiers en documenten die verband houden met de vrije beroepsactiviteit worden gerespecteerd na sluiting van de insolventieprocedure.

Bij de overdracht van een notariskantoor wordt elke betaling gedaan door of voor rekening van de overnemer van het notariskantoor, en die betrekking heeft op de vergoeding bedoeld in artikel 55, § 3, c) van de wet op het notarisambt, gedaan:

in handen van de curator in geval van faillissement, en

in handen van de gerechtsmandataris in geval van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag,

die bij de uitvoering van zijn opdracht de wettelijke regels voor de overdracht van minuten en andere bestanddelen die verband houden met de organisatie van het notariskantoor (zoals bepaald in art. 54 en art. 55, wet op het notarisambt) respecteert.

Iedere vrijgave, geheel of gedeeltelijk, kan enkel na een geschreven toestemming van zowel de curator als de medecurator in geval van faillissement, en van de gerechtsmandataris en de mede-insolventiefunctionaris in geval van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag.

Vergoeding van de mede-insolventiefunctionaris

De mede-insolventiefunctionaris wordt op billijke wijze vergoed, overeenkomstig het 'KB van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen'. Daarbij wordt rekening gehouden met de complexiteit van zijn opdracht en de geleverde prestaties.

In werking

Het KB van 26 april 2018 treedt in werking op 1 mei 2018.

Bron: Koninklijk besluit van 26 april 2018 houdende uitvoering van artikel XX.1, § 1, laatste lid, van het Wetboek van economisch recht wat betreft de toepassing van boek XX van het Wetboek van economisch recht op de beoefenaars van een vrij beroep, BS 30 april 2018.

Zie ook:
- Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, BS 27 april 2018.
- Koninklijk besluit van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen, BS 27 april 2018.
- Wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht, BS 11 september 2017.
- Wetboek van economisch recht van 28 februari 2013, BS 29 maart 2013 (WER) (Boek XX ?Insoventie van ondernemingen)