Mobiliteitsvergoeding voor werknemers die bedrijfswagen inruilen (juridische aspecten)

De mobiliteitsvergoeding geeft werknemers de kans om hun bedrijfswagen, die ze ook voor privéverplaatsingen mogen gebruiken, in te ruilen ('cash for car', budgetneutraal) voor een geldbedrag dat fiscaal en sociaal op dezelfde manier wordt behandeld. De werkgever is volledig vrij om zo'n regeling in te voeren en toe te kennen, en de werknemer is niet verplicht om erop in te gaan.

Toepassingsgebied

Het kader voor de invoering van de mobiliteitsvergoeding wordt gevormd door een wet van 30 maart 2018. Vanuit die autonome wet worden ook noodzakelijke aanpassingen gedaan aan wetten uit het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 92).

De nieuwe wet is van toepassing op alle werknemers die in het kader van hun loonsysteem het voordeel van een bedrijfswagen genieten. Het gaat daarbij om alle personen die onder gezag, leiding en toezicht werken, al dan niet met een arbeidsovereenkomst, en zowel in de private als in de openbare sector. De fiscale indeling van de bezoldiging heeft geen invloed. Binnen het kader en de voorwaarden die de werkgever heeft ingevoerd, kan de werknemer een aanvraag richten tot de werkgever om zijn bedrijfswagen in te ruilen.

Uitgangspunten (cumulatief):

De mobiliteitsvergoeding is alleen mogelijk voor werkgevers die al minstens gedurende een ononderbroken periode van drie jaar, één of meerdere bedrijfswagen hebben gegeven aan één of meerdere werknemers (uitzondering voor jonge werkgevers die minder dan 36 maanden actief zijn).

De mobiliteitsvergoeding is alleen mogelijk voor werknemers die in de voorbije drie jaar minstens twaalf maanden een bedrijfswagen hebben en in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van de mobiliteitsvergoeding, ononderbroken een bedrijfswagen hebben. Er zijn specifieke regels voor werknemers die van werk veranderen om te vermijden dat zij bij hun nieuwe werkgever terug eerst een bedrijfswagen moeten krijgen.

De sancties in het Sociaal Strafwetboek worden aangepast zodat oneigenlijk gebruik van de mobiliteitsvergoeding kan worden opgespoord, rechtgezet of gesanctioneerd. De sancties worden aangepast in overeenstemming met de aanpassing van het KB op de sociale documenten zodat de inspectie kan optreden.
De wetgever heeft aan de mobiliteitsvergoeding een statuut toegekend dat evenwaardig is aan het statuut van de bedrijfswagen. Maar voor partijen die de spelregels niet naleven, vervalt dat gunstige statuut. Het bedrag van de mobiliteitsvergoeding wordt dan een gewoon loon met alle gevolgen van dien.

Mobiliteitsvergoeding

De mobiliteitsvergoeding is het bedrag dat de werknemer ontvangt van zijn werkgever in ruil voor het inleveren van zijn bedrijfswagen. Op deze vergoeding zijn specifieke regels van toepassing die in grote mate overeenstemmen met de specifieke behandeling van de bedrijfswagen.
De mobiliteitsvergoeding blijft toegekend zolang de werknemer geen beschikking heeft over een bedrijfswagen (of een functie uitoefent waarvoor geen bedrijfswagen is voorzien in het loonsysteem van de werkgever).

Uitgangspunten:

De mobiliteitsvergoeding bestaat uit een geldbedrag dat overeenstemt met de waarde op jaarbasis van het gebruiksvoordeel van de ingeleverde bedrijfswagen. De vergoeding wordt wel maandelijks uitbetaald. Wanneer de werknemer tijdens de laatste twaalf maanden, voorafgaand aan de vervanging van zijn bedrijfswagen door de mobiliteitsvergoeding, achtereenvolgens over verschillende bedrijfswagens heeft beschikt, wordt de bedrijfswagen waarover hij in die periode het langst heeft beschikt, in aanmerking genomen om de waarde van het gebruiksvoordeel te bepalen.

Het geldbedrag wordt berekend op basis van de cataloguswaarde (jaarlijks geïndexeerd) in nieuwe staat van de ingeleverde bedrijfswagen. Dat is dezelfde basis als voor de berekening van het privébelastbaar voordeel van de bedrijfswagen. Mobiliteitsvergoeding: cataloguswaarde x 6/7 x 20%. Dit percentage wordt verhoogd tot 24% als de werknemer voor zijn bedrijfswagen ook een tankkaart had van zijn werkgever. Wanneer de werknemer voor de ingeleverde bedrijfswagen een eigen bijdrage betaalt, zal de mobiliteitsvergoeding lager zijn.

Het belastbaar gedeelte (jaarlijks geïndexeerd) van de vergoeding is vergelijkbaar met het belastbaar voordeel voor de bedrijfswagen, en de werknemer betaalt er verder geen sociale bijdragen op.

Voor de werkgever is de vergoeding in eerste instantie aftrekbaar voor hetzelfde percentage als de ingeleverde bedrijfswagen (afhankelijk van de CO2-uitstoot, met ecologische correctie via de aftrek van de mobiliteitsvergoeding aan 75% tot 95%). Het aftrekpercentage wordt jaarlijks verlaagd met 10 procentpunten tot het minimum van 75% is bereikt.

Let op. De mobiliteitsvergoeding kan niet worden gecombineerd met verplaatsingsvergoedingen voor woon-werkverkeer, ongeacht hoe die woon-werkverplaatsingen worden afgelegd (auto, trein, fiets ?). Bovendien kan de vergoeding niet vooraf gegaan worden door een vermindering van het loon in ruil voor een bedrijfswagen.

Juridische behandeling

Wanneer de werknemer in het systeem van de mobiliteitsvergoeding wil stappen, moet hij een schriftelijke aanvraag indienen bij zijn werkgever. De werkgever brengt de werknemer schriftelijk op de hoogte van zijn beslissing. De formele aanvraag van de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever om op deze aanvraag in te gaan, vormen een overeenkomst die als zodanig inhoudelijk deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen beide partijen.
Deze overeenkomst wordt voorafgaandelijk aan de eerste uitbetaling van de mobiliteitsvergoeding gesloten en vermeldt onder andere het basisbedrag van de mobiliteitsvergoeding. Ze wordt formeel beschouwd als 'sociaal document'.

De mobiliteitsvergoeding vormt geen loon en wordt daarom uitdrukkelijk uitgesloten uit het RSZ-loonbegrip dat dient als basis voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen.
In de RSZ-wet zelf worden enkele voordelen uitdrukkelijk uitgesloten uit het RSZ-loonbegrip. Aan deze voordelen met uitdrukkelijke wettelijke uitsluiting uit het loonbegrip, worden de bedragen toegekend als mobiliteitsvergoeding toegevoegd. De werkgever en de werknemer betalen dus geen (gewone) socialezekerheidsbijdragen.
De werkgever moet wel een maandelijkse solidariteitsbijdrage betalen op de mobiliteitsvergoeding. Deze solidariteitsbijdrage is identiek aan de CO2-solidariteitsbijdrage voor de bedrijfswagen. Het bedrag van die bijdrage is dus gelijk aan de solidariteitsbijdrage die verschuldigd is voor de bedrijfswagen voor de maand onmiddellijk voorafgaand aan de maand waarin de bedrijfswagen vervangen werd door de mobiliteitsvergoeding. De solidariteitsbijdrage is verschuldigd voor de volledige periode waarin de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend.

De toekenning van de mobiliteitsvergoeding heeft tot gevolg dat het voordeel van de ingeruilde bedrijfswagen (en alle andere erop betrekking hebbende voordelen) volledig verdwijnt voor de werknemer. Indien de werknemer meerdere bedrijfswagens bij dezelfde werkgever heeft, kan slechts één bedrijfswagen worden ingeruild.

De toekenning van de mobiliteitsvergoeding kent geen enkel recht toe aan de werknemer, behalve de uitbetaling ervan door de werkgever en de gelijke behandeling met het voordeel van het privégebruik van de bedrijfswagen. Denk bijvoorbeeld aan het gewaarborgd loon en het loon van de arbeidsongeschikte werknemer die het werk hervat met een aangepast werk.
Een cao kan voorzien in gunstiger bepalingen - zoals aanvullende pensioenen of aanvullend vakantiegeld - door de werkgever of sector te betalen. Maar deze bepalingen mogen niet leiden tot een wijziging van de te vervullen administratieve formaliteiten (RSZ) of een uitbreiding van rechten (sociale zekerheid en jaarlijkse vakantie).

De wetgever voorziet in misbruikpreventie. Voor de toepassing van de nieuwe wet mag de toekenning van de bedrijfswagen die ingeruild werd voor de mobiliteitsvergoeding niet gekoppeld geweest zijn aan een gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid.
Indien de werkgever naast en bovenop de mobiliteitsvergoeding toch nog het voordeel van een bedrijfswagen (voor privévervoer) blijft toekennen, of opnieuw toekent, dan verliest de mobiliteitsvergoeding zijn gunstig sociaal en fiscaal statuut (behoudens uitzonderlijke omstandigheden). In de toelichting bij de wet verwijst men op dit punt naar het gebruik van zogenaamde 'poolwagens'.

In werking

Globaal genomen treedt de wet van 30 maart 2018 retroactief in werking op 1 januari 2018.

Tot slot. De sociale partners hebben ook een voorstel rond het mobiliteitsbudget uitgewerkt, waarbij de nadruk ligt op multimodaliteit en niet zozeer op het inruilen van de wagen tegen 'zuiver cash'. Momenteel bekijkt de regering deze piste.

Bron: Wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, BS 7 mei 2018