Procedureproblemen voor groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid aangepakt (art. 13 Wet Ondernemingsrecht)

Het wordt makkelijker voor groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid om een gerechtelijke procedure in te stellen. Ook voor wie tegen een dergelijke groepering wil procederen, vereenvoudigen de zaken.

Huidige werkwijze

Groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid zijn geen rechtssubject en kunnen dus niet als zodanig optreden als procespartij. Een procedure namens of tegen een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is per definitie een 'collectieve procedure' met aan de kant van de groepering evenveel procespartijen als er deelgenoten of vennoten van de groepering zijn.

Om praktische redenen - bijvoorbeeld om hoge betekeniskosten te vermijden - treden de individuele leden vaak op via een gezamenlijke lasthebber. Wat betekent dat één persoon gemandateerd wordt (ad hoc of statutair) om namens en voor rekening van de deelgenoten of vennoten te procederen.

Probleem

Deze werkwijze levert echter twee problemen op. Een identificatieprobleem en een probleem rond de vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Ook al wordt er geprocedeerd via een gezamenlijke lasthebber, toch zijn het nog steeds de individuele deelgenoten of vennoten van de groepering die de werkelijke procespartijen zijn. Wat betekent dat zij allemaal opgesomd moeten worden in de gedinginleidende akte - zowel in het geval ze eiser zijn als in het geval ze verweerder zijn. En dat geeft vaak problemen wanneer een derde tegen de groepering procedeert. Een derde heeft niet altijd toegang tot de actuele ledenlijst van de groepering, waardoor hij geen geldige gedinginleidende akte kan opstellen. Maar ook wanneer de groepering als eiser optreedt, kan die verplichte naamsvermelding van alle leden of vennoten in de gedinginleidende akte voor problemen zorgen, zeker wanneer het ledenbestand groot of variabel is.

Er zijn ook vaak problemen rond de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gezamenlijke lasthebber. Vaak wordt er wel een lasthebber aangeduid maar is hij toch niet bevoegd om - als formele procespartij - de gezamenlijke deelgenoten of vennoten in rechte te vertegenwoordigen. Statutaire vertegenwoordigingsclausules worden immers door de rechter vaak restrictief geïnterpreteerd. Ook derden worden met problemen geconfronteerd. Voor hen is het niet steeds evident om te weten wie optreedt als gezamenlijke lasthebber. Groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid zijn immers niet verplicht om hun statuten te publiceren in het Belgisch Staatsblad.

Oplossing

De wetgever lost beide problemen op, in die gevallen waar de groepering zonder rechtspersoonlijkheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

Het identificatieprobleem van de deelgenoten of vennoten wordt opgelost als volgt: de vermelding van de benaming en de zetel van de groepering die bij haar gegevens in de KBO zijn opgenomen, vervangt de vermelding van de identiteit van de deelgenoten en vennoten. De eiser moet in de gedinginleidende akte dus niet langer alle individuele deelgenoten en hun woonplaatsen oplijsten; het volstaat dat hij melding maakt van de benaming en de zetel van de groepering, zoals die in de KBO staan.

Het probleem van de vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt eveneens opgelost voor ondernemingen die in de Kruispuntbank zijn ingeschreven, en daar een algemeen lasthebber hebben aangeduid. De groepering kan in dat geval steeds - als eiser of als verweerder - optreden door tussenkomst van die lasthebber. De tegenpartij heeft - door die vermelding in de KBO - immers zekerheid over wie precies de lasthebber is.
Deze regel geldt onverminderd artikel 36,1° van het Wetboek van vennootschappen. Dat stelt dat de vennoten elkaar wederkerig de macht geven om - de ene voor de andere - te beheren. Deze regel blijft hier van toepassing, maar wordt wel uitdrukkelijk bepekt tot de gevallen waarin de groepering optreedt als verweerder. Treedt ze op als eiser dan zal ze - wil ze een oplijsting van alle deelgenoten vermijden - toch een lasthebber moeten aanstellen.

Nog dit. Deze twee oplossingen zijn beperkt tot groeperingen die in de KBO zijn ingeschreven. Aangezien ook derden toegang hebben tot de gegevens die in de KBO zijn geregistreerd. Voor groeperingen die helemaal niet geregistreerd zijn, blijft alles bij het oude.

Inwerkingtreding

Artikel 13 van de nieuwe wet van 15 april 2018 treedt in principe in werking op 1 november 2018. Een KB kan wel nog een vroegere datum vastleggen.

Bron: Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, BS 27 april 2018 (art. 13 Wet Ondernemingsrecht)

Zie ook:
Gerechtelijk Wetboek (art. 703)