Ondernemingsbewijs krijgt plaats binnen Burgerlijk Wetboek (art. 2-3 Wet Ondernemingsrecht)

De regels voor het bewijs door en tegen ondernemingen krijgen onderdak in het Burgerlijk Wetboek. Zij komen in de plaats van de bewijsregels tussen handelaars die tot nu in het Wetboek van koophandel stonden.

Nieuw ondernemingsbegrip

De wet van 15 april 2018 schaft onder meer het begrip 'handelaar' af. In de plaats daarvan wordt er een nieuwe formele ondernemingsdefinitie geïntroduceerd.

Met ondernemingen worden bedoeld:

natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen (dus bv. ook de boefenaars van een vrij beroep);

rechtspersonen. Dus bv. ook vzw's en stichtingen, zelfs als ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Publiekrechtelijke rechtspersonen vallen ook onder het ondernemingsbegrip tenzij ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt. De federale staat en zijn gedecentraliseerde entiteiten vallen buiten het ondernemingsbegrip;

andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. Tenzij ze geen uitkeringsoogmerk hebben en ook in feite geen uitkeringen doen aan hun leden of personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie. Concreet vallen de zgn. feitelijke verenigingen hier dus niet onder, maar bv. wel de maatschappen en de andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid.

Ondernemingsbewijsrecht

Het handelsbewijsrecht wordt hervormd tot het ondernemingsbewijsrecht en verhuist van het Wetboek van koophandel naar het Burgerlijk Wetboek.

Het nieuwe ondernemingsbewijsrecht uit het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op alle ondernemingen die onder het nieuwe formele ondernemingsbegrip vallen. Het zal dus ook gelden tussen en tegen vrije beroepers, vzw's, stichtingen enz.

Vrijheid van bewijs

Aan het bewijsrecht zelf verandert er inhoudelijk weinig.

Tussen of tegen ondernemingen kan het bewijs geleverd worden door alle middelen van recht, behoudens wettelijke uitzonderingen.

Die bewijsvrijheid geldt ongeacht de positie van de onderneming in het geding - verweerder of eiser - en ongeacht de rechtsinstantie.

De bewijsvrijheid geldt echter alleen voor een handeling gesteld door een onderneming. Zij geldt bv. niet voor ondernemingen die een bewijs willen leveren tegen een partij die geen onderneming is. Een partij die geen onderneming is en die tegen een onderneming wil bewijzen, kan dan wel weer alle middelen van recht gebruiken.

Rechtshandelingen van natuurlijke personen die een onderneming voeren, maar die vreemd zijn aan de onderneming, blijven onderworpen aan de bewijsregels die gelden in burgerlijke zaken, wanneer tegen hen bewijs moet geleverd worden.

Boekhouding

De boekhouding van een onderneming kan een belangrijke bewijswaarde hebben. De rechter kan haar aanvaarden als bewijs tussen ondernemingen. Het Wetboek van koophandel eiste vroeger dat het moest gaan om een 'regelmatig' gehouden boekhouding. Die vereiste is nu geschrapt, maar uiteraard zal de rechter de bewijswaarde van de boekhouding beoordelen. En daar kan het regelmatige karakter ervan wel een rol spelen.

De boekhouding is geen bewijs tegen personen die geen onderneming zijn, behalve de bepalingen inzake de eed. De boekhouding van een onderneming levert wel steeds een bewijs tegen haarzelf op. Ze mag niet ten nadele van de onderneming gesplitst worden.

Bevel tot openlegging

De rechter kan in de loop van een geding de openlegging van de boekhouding (geheel of gedeeltelijk) bevelen voor het te onderzoeken geschil. Hij kan dat ambtshalve doen of op vraag van een partij. De rechter kan hierbij maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van de stukken te waarborgen. Beperkingen aan de mogelijkheden van de rechter - om misbruiken te vermijden - zijn niet langer voorzien.

Factuur

Een factuur die door een onderneming is aanvaard, levert bewijs op tegen deze onderneming. De bewijswaarde van de factuur is dus niet langer beperkt tot koop-verkoopovereenkomsten, zoals vroeger in het Wetboek van koophandel, maar is uitgebreid tot alle soorten overeenkomsten.

Inwerkingtreding

De artikelen 2 en 3 van de Wet van 15 april 2018 treden in principe in werking op 1 november 2018. Een KB kan wel nog een vroegere datum vastleggen.

Bron: Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, BS 27 april 2018 (art. 2.3 Wet Ondernemingsrecht)

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 1384bis)