Houder kentekenplaat van geflitst voertuig moet identiteit bestuurder meedelen

Een houder van een kentekenplaat die van de politie een pv in de bus krijgt voor een verkeersovertreding maar eigenlijk niet de bestuurder was op het moment van de feiten, is voortaan verplicht om de identiteit mee te delen van diegene die het voertuig dan wel bestuurde. Tenzij hij kan bewijzen dat er fraude, diefstal of overmacht in het spel is. Doet hij dit niet, dan riskeert hij een gevangenisstraf tot 2 jaar en een geldboete tot 4.000 euro. Deze wetswijziging is retroactief van kracht vanaf 15 februari 2018.

Deze strenge maatregel moet zorgen voor een efficiëntere bestraffing van verkeersovertreders. Tot nog toe was het meedelen van de zogenaamde 'onmiskenbare bestuurder' immers niet verplicht voor particuliere houders van kentekenplaten, waardoor heel wat 'echte' overtreders door de mazen van het net konden glippen. Werd er toch een naam meegedeeld, dan betekende dit vaak de start van een tijdrovende procedure voor onze politiediensten en parketten. Vooral wanneer de betrokkene die werd genoemd, betwist de bestuurder te zijn geweest op het ogenblik van de feiten. In dat geval moeten er heel wat bijkomende onderzoeksdaden worden verricht om duidelijkheid te scheppen. Dikwijls zonder uitsluitsel, waardoor het strafdossier uiteindelijk werd geseponeerd.

Via de Verzamelwet Verkeersveiligheid van 6 maart 2018 wil de wetgever hier nu komaf mee maken. Hij baseert zich daarvoor op de mededelingsplicht die al langer geldt voor bedrijven. Artikel 67ter van de Wegverkeerswet stelt immers dat 'wanneer een kentekenplaat op naam van een rechtspersoon staat, de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen ertoe gehouden zijn de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de personen die het voertuig onder zich heeft'. Al wordt ook aan deze werkwijze wat gesleuteld.

Mededelingsplicht voor particulieren ingevoerd

De wet gaat nog steeds uit van het vermoeden dat de houder van de kentekenplaat ook effectief de overtreding heeft begaan. Is dat niet het geval, dan kan de houder van de kentekenplaat dit vermoeden - net zoals vroeger - weerleggen. De wetgever stelt evenwel een paar extra eisen in een aangepast artikel 67bis.

Voortaan moet de houder van de kentekenplaat effectief bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. Hij moet dus 'met een bewijsmiddel' aantonen dat niet hij achter het stuur zat, maar iemand anders. Slaagt hij erin om te bewijzen dat hij niet de overtreder was, dan is hij bovendien verplicht om de identiteit van de 'onmiskenbare bestuurder' kenbaar te maken. Behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan aantonen.

Uit de parlementaire stukken blijkt alvast dat het niet de bedoeling is dat de houder van de kentekenplaat al bewijsmiddelen aanbrengt op het ogenblik dat hij de onmiskenbare bestuurder aanduidt. Hij zal de bewijsmiddelen wel achter de hand moeten houden en voorleggen wanneer daarom wordt gevraagd door politie of parket.

Zeer strenge straffen

De wetgever gaat er nu dus van uit dat de houder van de kentekenplaat moet weten aan wie hij zijn voertuig toevertrouwt. Hij wordt verondersteld daarvoor zijn verantwoordelijkheid te nemen. Doet hij dit niet, dan riskeert hij een zware straf. De Wegverkeerswet voorziet een gevangenisstraf van 15 dagen tot 2 jaar en een geldboete van 50 tot 4.000 euro (of één van die straffen) wanneer de houder van de nummerplaat zijn mededelingsplicht niet nakomt.

En daar stopt het niet. De rechter kan ook 'het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig' uitspreken voor minstens 8 dagen en maximaal 5 jaar of levenslang. De straffen worden bovendien verdubbeld bij herhaling binnen de 3 jaar.

Het niet kenbaar maken van de eigenlijke bestuurder wordt dus op basis van het nieuwe, tweede lid van artikel 29ter van de Wegverkeerswet als een afzonderlijke overtreding strafbaar gesteld.

Ruimere mededelingsplicht voor rechtspersonen

De situatie voor rechtspersonen is enigszins anders. Daar bestond immers al een mededelingsplicht op basis van artikel 67ter van de Wegverkeerswet. De basis blijft hier dezelfde, maar het toepassingsgebied verruimt.

Aan de bestraffing wordt niet geraakt. Inbreuken worden dus nog steeds bestraft met een gevangenisstraf van 15 dagen tot 6 maanden en een geldboete van 200 tot 4.000 euro (of met één van die straffen). Merk wel op dat dit niet dezelfde strafmaat is als voor particulieren!

Vroeger was de mededelingsplicht alleen van toepassing op de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen. Gelet op de invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersonen, geldt ze ook rechtstreeks op de rechtspersoon zelf.

De Wegverkeerswet stelt nu dus het volgende: 'wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, zijn de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen'.

De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd. De termijn wijzigt dus niet.

Het volgende is wel nieuw: wanneer de verantwoordelijke van het voertuig (bijvoorbeeld een fleet manager) niet de bestuurder is, dan is hij verplicht om de bestuurder binnen een termijn van 15 dagen mee te delen. Zo niet, wordt hij bestraft op basis van het eerste lid van artikel 29ter van de Wegverkeerswet.

Voortaan wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid om de gegevensbanken van rechtspersonen (of hun belangenvertegenwoordigers) te koppelen aan de Kruispuntbank voor de Voertuigen. Zo is er het 'Renta-protocol' waardoor bedrijven een administratieve rompslomp kunnen voorkomen door een vaste bestuurder te registreren in de Kruispuntbank van de voertuigen. Die vaste bestuurder wordt dan beschouwd als kentekenplaathouder en zal bij een overtreding rechtstreeks worden bestraft. In dit geval zal toepassing worden gemaakt van artikel 67bis.

15 februari 2018

De betrokken artikels van de wet van 6 maart 2018 zijn retroactief van toepassing vanaf 15 februari 2018.

Bron: Wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, BS 15 maart 2018. (art. 5, 23, 24 en 26) Verzamelwet Verkeersveiligheid)