Grondwettelijk Hof laat gevangeniszittingen van raadkamer en KI bij voorlopige hechtenis bestaan, mits garanties

De raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen er blijven voor kiezen om de zittingen over de handhaving van de voorlopige hechtenis in de gevangenis te laten plaatsvinden. Volgens het Grondwettelijk Hof is er geen schending van de Grondwetsbepalingen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, het recht om in het openbaar te worden gehoord of het vermoeden van onschuld, zoals was opgeworpen door de Orde van Vlaamse Balies. Al blijven de regels toch niet helemaal overeind.

Rechtspraak Hof van Cassatie

De mogelijkheid om de zittingen over het al dan niet handhaven van de voorlopige hechtenis van de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling in de gevangenis te houden, werd ingevoerd via de Wet houdende diverse bepalingen betreffende Justitie van 25 april 2014. De werkwijze was niet nieuw, maar de nodige wetgevende basis in het Gerechtelijk wetboek ontbrak. Tot dan toe baseerde men zich voor de organisatie van de zittingen in de gevangenis op de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

Retroactiviteit

Het probleem schuilt volgens het Hof in de datum van inwerkingtreding van de betrokken bepalingen. De Justitiewet is op 14 mei 2014 in het Staatsblad verschenen. Als de normale procedure zou gelden, zouden de bepalingen op 24 mei 2014, 10 dagen na publicatie in het Staatsblad in werking treden. Maar de wetgever heeft voor een retroactieve inwerkingtreding gekozen op 1 januari 2014. Die terugwerkende kracht werd tijdens de parlementaire voorbereidingen verantwoord doordat 'de ontworpen bepalingen in feite geen nieuwigheid invoeren, maar louter in het verlengde liggen van de rechtspraak van het Hof van Cassatie'. En dat is volgens het Hof geen adequate rechtvaardiging. Want zo stelt het Hof: 'de niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaald handeling kan voorzien op het tijdstip dat ze wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer ze onontbeerlijk is voor de realisatie van een doelstelling van algemeen belang'. En dat is hier volgens het Grondwettelijk Hof niet het geval.

Artikel 161 van de Justitiewet van 25 april 2014 met de retroactieve datum van inwerkingtreding wordt daarom vernietigd. Daardoor wordt de algemene regel over de inwerkingtreding van toepassing en gelden de bepalingen vanaf 24 mei 2014.

Verplichte garanties

Maar inhoudelijk blijft de procedure dus overeind. Tenminste wanneer bij de toepassing ervan de nodige garanties worden geboden. Zo moeten in nieuwe gevangenissen zittingszalen voorzien zijn op de rand van de veiligheidsperimeter en op de plaats waar de administratie is gevestigd, met als doel de geografische nabijheid tussen de penitentiaire instelling en de raadkamer te garanderen.

Bovendien moet worden gegarandeerd dat de verschijning van de gedetineerde niet in de gevangenis zal plaatsvinden, maar in de lokalen waar de administratie is gevestigd.

Het Hof benadrukt ook dat het niet de bedoeling is om àlle zittingen van de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling in de gevangenis te laten plaatsvinden. Zetelen in de gevangenis mag alleen om veiligheidsredenen (bijvoorbeeld bij zwaar banditisme of terrorisme) en op voorwaarden dat de betrokkene in voorhechtenis zit en reeds in de gevangenissite verblijft. De rechter moet zich bij de beslissing om al dan niet in de gevangenis te zetelen, baseren op de veiligheidsrisico's die het transport van de voorlopig gehechte met zich meebrengt.

Bron: GwH 14 januari 2016, nr. 3/2016.

Zie ook
Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie, BS 14 mei 2014 (art. 159-161).
Gerechtelijk Wetboek (art. 76 en 101).