GAS-wet houdt stand: Grondwettelijk Hof verwerpt beroepen tot vernietiging

Het Grondwettelijk Hof heeft de beroepen tot vernietiging van de vernieuwde GAS-wet van 24 juni 2013 verworpen. Het huidige systeem blijft dus bestaan. Al geeft het Hof wel een aantal verduidelijkingen mee. Onder meer met betrekking tot het mondeling verweer van minderjarigen die een GAS-boete kregen en het tijdelijk plaatsverbod.

De wet werd al meteen na publicatie aangekaart bij het Grondwettelijk Hof door onder andere de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen, de Liga voor Mensenrechten en het Algemeen Christelijk Vakverbond.

Ze hadden kritiek op de mogelijkheid die de gemeenten kregen om een GAS-sanctie op te leggen voor inbreuken op het stilstaan en parkeren en voor overtredingen van de bepalingen op het verkeersbord C3. Volgens hen zijn niet de gemeenten, maar de gewesten bevoegd om aanvullende reglementen m.b.t. de verkeersreglementering aan te passen aan de plaatselijke of bijzondere omstandigheden. Het is aan de gewesten om de gemeenten te machtigen om GAS-sancties is te voeren, niet aan de federale wetgever.

Ook werd de leeftijdsverlaging van 16 tot 14 jaar gehekeld als schending van het Kinderrechtenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens de verzoekers werd ook het begrip 'openbare overlast' niet duidelijk genoeg omschreven waardoor lokale overheden hun eigen invulling geven wat tot onzekerheid en onduidelijkheid leidt. Verder zou de wet geen bepalingen bevatten over de onderzoeksbevoegdheden van de vaststellers die niet behoren tot de politiediensten of de vorm waaronder de vaststellers hun opdracht vervullen. Het ontbreekt volgens de verzoekers ook aan een specifieke regeling m.b.t. de rechtsplegingvergoeding, is het onduidelijk onder welke voorwaarden, wanneer en hoe een tijdelijk plaatsverbod kan worden opgelegd en creëert de wet een ongelijkheid tussen minderjarigen die administratiefrechtelijk gesanctioneerd worden en diegene die strafrechtelijk gesanctioneerd worden.

Maar het Grondwettelijk hof legt deze opmerkingen dus naast zich neer. Het verwerpt alle beroepen tot vernietiging, geheel of gedeeltelijk. Zij het onder voorbehoud van een reeks interpretaties met betrekking tot de toegang tot het Rijksregister voor sanctionerende GAS-ambtenaren, de aanwijzing van de vaststellende ambtenaren, het protocolakkoord tussen gemeente en procureur des Konings, recidivisten, het mondeling verweer van minderjarigen die een GAS-boete kregen en het instellen van een tijdelijk plaatsverbod. Het Grondwettelijk Hof staat erop dat een plaatsverbod nooit langer duurt dan echt nodig is. De termijn van één maand moet steeds worden opgevat als een hernieuwbaar maximum. Bovendien mag het plaatsverbod geen perimeter bestrijken die groter is dan hetgeen noodzakelijk is om de verstoring van de openbare orde te verhinderen of te beëindigen.

Het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de toetsing van het KB van 21 december 2013 dat de selectie- aanwervings en opleidingsvereisten voor vaststellende ambtenaren en hun bevoegdheden bepaalt en het KB van 21 december 2013 met de kwalificatie- en onafhankelijkheidsvoorwaarden van de sanctionerende ambtenaren.

Bron: GwH, 23 april 2015, nr. 44/2015.

Zie ook
Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, BS 1 juli 2013.