Meeouders krijgen afstammingsband via 'gewone' afstammingsregels

De ongelijkheid bij de vaststelling van afstammingsbanden bij koppels met een gelijk en een verschillend geslacht wordt weggewerkt. Dat gebeurt via een vermoeden van meemoederschap en een mogelijkheid tot erkenning.

Homoseksuele koppels hebben sinds 2003 het recht om te huwen, en sinds 2006 kunnen ze ook samen kinderen adopteren. Maar voor de vaststelling van de afstammingsband ten aanzien van de 'meeouder' is men op dit moment nog steeds aangewezen op adoptie.

Die situatie zorgt voor een ongelijke behandeling omdat bij heteroseksuele koppels de afstammingsband ten aanzien van de partner tot stand komt op basis van een vermoeden of een erkenning. Bovendien is de rechtspositie van de meeouder tijdens de vaak lange en zware adoptieprocedure heel onzeker.

Vandaar dat de wetgever nu ingrijpt. Bedoeling is uiteraard om de afstammingsband ten aanzien van beide ouders zo snel mogelijk tot stand te brengen.Een wet van 5 mei 2014 voert daarom een vermoeden van meemoederschap in ten aanzien van de echtgenote van de moeder. En de partner die niet gehuwd is met de moeder krijgt voortaan de mogelijkheid om het kind te erkennen.

De bepalingen inzake de gerechtelijke vaststelling, de afstammingsvorderingen en de betwistingsvorderingen die voor heteroseksuele koppels gelden, worden mutatis mutandis overgenomen.

Kortom, meeouders kunnen voortaan via de 'gewone regels inzake afstamming' een afstammingsband krijgen met een kind dat geboren wordt binnen een gelijkslachtige relatie.

De nieuwe regels treden in werking op 1 januari 2015.

Bron: Wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder, BS 7 juli 2014