Burgerlijke partij moet gerechtskosten bij ongelijk niet meer automatisch betalen

Burgerlijke partijen die in het ongelijk worden gesteld, zullen niet meer automatisch opdraaien voor de gerechtskosten wanneer ze het initiatief hebben genomen tot rechtstreekse dagvaarding of wanneer er een onderzoek is geopend ten gevolge van hun optreden als burgerlijke partij. Voortaan beslist de rechter of de burgerlijke partij in die gevallen wordt veroordeeld in (alle of een deel van) de kosten die de Staat of de beklaagde heeft gemaakt. Die beoordelingsbevoegdheid bestaat nu al t.a.v. de andere burgerlijke partijen.

De wetgever wijzigt hiervoor artikel 162 het Wetboek van Strafvordering dat betrekking heeft op de procedure voor de politierechtbanken. Maar via een verwijzing in artikel 194 is de regeling is ook van toepassing voor de correctionele rechtbanken.

De wet van 2 april 2014 treedt in werking op 10 mei. Vanaf die datum kan de burgerlijke partij tot de gerechtskosten worden veroordeeld wanneer ze in het ongelijk wordt gesteld ongeacht of de rechtspleging werd ingesteld bij rechtstreekse dagvaarding of bij burgerlijke partijstelling.

De aanpassing komt er omdat de huidige procedure, zonder beoordelingsbevoegdheid voor de rechters, in sommige gevallen onredelijke gevolgen heeft voor slachtoffers of nabestaanden. Wanneer zij zich burgerlijke partij stellen en bijkomende onderzoeksdaden vragen maar in het ongelijk worden gesteld, moeten ze niet alleen de kosten die betrekking hebben op de procedure betalen maar ook de kosten van deskundigenonderzoeken. Die laatste kunnen, vooral in verkrachtingszaken, hoog oplopen door onder meer de DNA-onderzoeken bij het slachtoffer.

De materie werd ook al aangekaart bij het Grondwettelijk Hof. Vorig jaar nog heeft de Gentse correctionele rechtbank een prejudiciële vraag gesteld om na te gaan of de regeling niet discriminerend is in vergelijking met de regeling die aan het Hof van Assisen een beoordelingsbevoegdheid laat om de burgerlijke partij al dan niet in de kosten te veroordelen, wanneer ze in het ongelijk wordt gesteld. Hoewel het Hof in een eerder arrest van 2004 al heeft aangegeven dat de bepaling geen schending inhoudt van het non-discriminatiebeginsel omdat de in aanmerking genomen criteria objectief, relevant en evenredig zijn, heeft de wetgever niet op een uitspraak in de zaak gewacht.

Bron: Wet van 2 april 2014 tot wijziging van artikel 162 van het Wetboek van strafvordering, BS 30 april 2014.

Zie ook
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 162 van het Wetboek van strafvordering (ingediend door Zoé Genot, e.a.), Parl. St. Kamer 2013, 53K2675/001 en 53K2675/003.