Stiefkinderen en eigen kinderen van samenwoners gelijk voor de wet

Het programmadecreet van 5 juli 2013 zorgt ervoor dat kinderen van samenwoners recht hebben op het verlaagd tarief inzake successierechten. Ook al overlijdt de biologische ouder vóór de niet-biologische ouder. Deze correctie komt er na een veroordeling door het Grondwettelijk Hof.

Het Vlaams Wetboek van Successierechten (Vl.W.Succ.) stelt erfenissen tussen stiefouders en stiefkinderen gelijk met erfenissen tussen ouders en eigen kinderen. Dit in het kader van een huwelijk. Dergelijke nalatenschappen worden dus belast tegen het lage tarief voor overervingen in rechte lijn. De gelijkstelling werd later uitgebreid tot de samenwoners: een kind heeft ook recht op het verlaagd tarief wanneer het erft van de partner met wie zijn vader of moeder ongehuwd samenwoont. Omgekeerd geldt eveneens: als een kind een legaat overmaakte aan de samenwonende partner van zijn ouder, dan wordt dat legaat bij overlijden van het kind, belast tegen het lage 'rechtelijntarief' (art. 50 Vl.W.Succ.).

Het rechtelijntarief is echter alleen van toepassing als de partner overlijdt vóór de ouder.
Want als de ouder eerst overlijdt, is de partner, bij zijn of haar overlijden, géén samenwonende partner meer van de reeds overleden ouder (art. 48, §2 Vl.W.Succ.). En aangezien er geen sprake meer is van samenwoning, wordt het hoge successierechtentarief voor overervingen tussen derden aangerekend.

De volgorde van overlijden van ouder en partner bepaalt dus het tarief dat de kinderen moeten betalen bij overerving tussen de samenwonende partners van ouders, en de kinderen van die ouders. Het Grondwettelijk Hof vond dit een schending van het gelijkheidsbeginsel uit de Grondwet.

Het programmadecreet van 5 juli 2013 corrigeert die discriminatie. Zowel ten aanzien van de kinderen die erven van de partner van hun vooroverleden ouder, als ten aanzien van de partner die erft van een kind van de overleden ouder waarmee hij vroeger samenwoonde. Het decreet verduidelijkt namelijk dat het al of niet samenwonen moet beoordeeld worden op het ogenblik van overlijden van de ouder, en niet op het ogenblik van het overlijden van de partner of het kind.

Deze correctie treedt in werking op 20 december 2012, voor alle overlijdens die op of na die datum plaats vonden of nog zullen plaatsvinden. 20 december 2012 is immers de datum waarop het Grondwettelijk Hof de ongelijke behandeling vaststelde.

Bron: Decreet van 5 juli 2013 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2013, BS 30 juli 2013 (art. 17 en 42 van het Programmadecreet).