Zware criminelen ten vroegste vrij na helft van straf

Vanaf 19 maart 2013 wordt het voor zware criminelen moeilijker om voorwaardelijk vrij te komen. Wie veroordeeld werd tot 30 jaar of levenslang, moet minstens 15 jaar (i.p.v. 10 jaar) van zijn straf uitzitten. Recidivisten komen pas na 19 of 23 jaar cel in aanmerking. Ook de procedure wordt strenger. Voortaan moet een veroordeelde zijn vervroegde vrijlating expliciet aanvragen. Dossiers van langgestraften zullen binnen de strafuitvoeringsrechtbank behandeld worden door 3 rechters en 2 gespecialiseerde assessoren.

Zware criminelen langer in de cel

Zware criminelen die veroordeeld zijn tot 30 jaar of levenslang, moeten voortaan minstens 15 jaar van hun straf uitzitten vooraleer ze in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Tot vandaag was dit nog een derde van de straf.

Voor recidivisten wordt de termijn nog verder opgetrokken. Wie eerder veroordeeld was tot een effectieve correctionele gevangenisstraf van 3 jaar, moet bij een nieuwe veroordeling tot 30 jaar of levenslang minstens 19 jaar in de cel blijven. Die regel geldt wanneer er minder dan 10 jaar is verlopen tussen het ogenblik waarop de betrokkene zijn correctionele straf heeft uitgezeten of het ogenblik waarop zijn straf is verjaard en de nieuwe feiten. De federale wetgever somt op welke feiten met correctionele straf in aanmerking worden genomen voor herhaling. Het gaat onder meer over doodslag, vergiftiging, mensensmokkel, piraterij en vliegtuigkaping.

Voor wie in het verleden veroordeeld werd tot een criminele straf, geldt een minimumtermijn van 23 jaar cel. Tot nog toe lag de drempel voor voorwaardelijke invrijheidstelling bij herhaling op 16 jaar.

De nieuwe tijdsvoorwaarden gelden niet alleen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar ook voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of overlevering.

Alleen op expliciete vraag van de veroordeelde

De procedure tot toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling of voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of overlevering zal niet meer automatisch worden opgestart op advies van de gevangenisdirecteur. De veroordeelde moet voortaan zelf een schriftelijk verzoek indienen. De directeur is wel verplicht de veroordeelde 6 maanden op voorhand in te lichten over de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen.

Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis. Die zendt het op zijn beurt binnen de 24 uur door naar de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. De gevangenisdirecteur ontvangt een afschrift. Binnen de 4 maanden bezorgt de directeur zijn advies over de aanvraag aan de rechtbank.

Nu de veroordeelde de zaak zelf op gang trekt, wijzigt ook het vervolg van de procedure. Zo moet onder meer de planning van de zittingen van de strafuitvoeringsrechter worden aangepast. Aanvragen worden nog steeds behandeld op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Voor niet gedetineerde veroordeelden verandert er niets. Voor hen vindt de zitting plaats uiterlijk 2 maanden na indiening van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde. Voor gedetineerden volgt de zitting echter uiterlijk 6 maanden na indiening van het verzoek. Het OM moet zijn advies immers binnen de maand na ontvangst van het advies van de gevangenisdirecteur opstellen. Gebeurt dat niet binnen die termijn, dan brengt het OM zijn advies schriftelijk uit voor of tijdens de zitting.

Uitgebreide rechtbank beslist over zware criminelen

Voortaan beslissen binnen de strafuitvoeringsrechtbank 3 rechters samen met 2 gespecialiseerde assessoren over de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten aan veroordeelden tot een gevangenisstraf van 30 jaar of levenslang waarbij ook een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank werd uitgesproken. Het gaat daarbij over de rechter van de strafuitvoeringsrechtbank (voorzitter), 2 rechters van de correctionele rechtbank en 2 assessoren in strafuitvoeringszaken, de ene gespecialiseerd in penitentiaire zaken en de andere in sociale re-integratie.

Om een strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen is bovendien eenparigheid van stemmen vereist. Beslist de rechtbank om geen strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen dan bepaalt ze in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen. Die termijn bedraagt minimum 6 maanden en maximaal 18 maanden na het vonnis.

Zware criminelen kunnen definitief in vrijheid worden gesteld wanneer er tijdens hun proeftijd geen enkele herroeping was. Die proeftijd bedraagt voortaan 10 jaar voor veroordelingen tot 30 jaar gevangenisstraf. Ze komen daarmee op hetzelfde niveau als veroordelingen tot een levenslange gevangenisstraf.

Cassatieberoep door minister van Justitie

De minister van Justitie krijgt tot slot een injunctierecht om het OM cassatieberoep te laten aantekenen tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of met betrekking tot de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden.

Vanaf 19 maart 2013

De wetten van 17 maart 2013 treden in werking op 19 maart, de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad. De federale wetgever voorziet wel in een rist overgangsbepalingen. Zo zijn de nieuwe tijdsvoorwaarden om in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling of voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of overlevering alleen van toepassing op veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn getreden na 19 maart. De nieuwe aanvraagprocedure voor voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling is dan weer niet van toepassing op veroordeelden die binnen de 6 maanden na de inwerkingtreding voldoen aan de tijdsvoorwaarden. In dat geval blijven de oude bepalingen van toepassing tot een definitief vonnis is tussengekomen.

Bron: Wet van 17 maart 2013 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, BS 19 maart 2013.

Bron: Wet van 17 maart 2013 tot wijziging van artikel 344 van het Wetboek van strafvordering, BS 19 maart 2013.

Zie ook
Wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, BS 15 juni 2006. (Strafuitvoeringswet) ln85959
Wetboek van Strafvordering (art. 344)
Strafwetboek.
Gerechtelijk Wetboek (art. 78 en nieuw art. 92bis)
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, Parl. St. Kamer 2013, nr. 53K2604/001.
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 344 van het Wetboek van strafvordering, Parl. St. Kamer 2013, nr. 53K2603/001.