Europa wil individuele energiemeters in appartementsgebouwen

Eindafnemers van elektriciteit, aardgas, stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden, moeten kunnen beschikken over een individuele meter, die hun daadwerkelijke energieverbruik nauwkeurig noteert. En dit tegen concurrentiële prijzen, aldus de nieuwe Europese Energie-efficiëntierichtlijn.

Dat betekent echter niet dat alle oude appartementsgebouwen moeten opengebroken worden. Zo is volgens Europa een individuele meter alleen verplicht voor zover dit:

technisch mogelijk is;

financieel redelijk is; en

in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen.

Een individuele meter is echter altijd verplicht wanneer een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw, en bij ingrijpende renovatie. Een ingrijpende renovatie is een renovatie waarvan de kosten hoger liggen dan 50% van de investeringskosten voor een vergelijkbare nieuwe eenheid.

Ook wanneer een bestaande meter wordt vervangen, moeten in principe individuele meters geplaatst worden. Maar hier staat Europa nog uitzonderingen toe, namelijk wanneer het technisch niet mogelijk zou zijn om individuele meters te plaatsen, en wanneer dat niet kostenefficiënt zou zijn in vergelijking met de geraamde potentiële besparingen op lange termijn.

Slimme meters voor het meten van het aardgas- of elektriciteitsverbruik moeten voortaan aan een aantal Europese voorschriften voldoen. Eén daarvan is dat de eindafnemer - of zijn vertegenwoordiger - de informatie over de in- en output van het verbruik in een gemakkelijk te begrijpen vorm moet krijgen. Dat moet de afnemer toelaten om zijn verbruik te vergelijken met dat andere personen.
Een 'slimme meter' is een elektronisch systeem dat het energieverbruik meet, maar dat terzelfder tijd nog andere informatie geeft (zoals informatie over de periodes waarin er energie werd verbruikt). Een slimme meter kan elektronisch data doorgeven en ontvangen.

Als de verwarming en koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een stadsverwarmingsnet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient, wordt er een warmtemeter of warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.

In appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings- of koelingsbron, of met levering vanuit een stadsverwarmingsnet, of vanuit een centrale bron die verschillende gebouwen bedient, moeten er tegen 31 december 2016 individuele meters geplaatst worden om het warmte- of koelingsverbruik, of het warmwaterverbruik voor iedere eenheid te meten. Maar alleen waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is.
Als het gebruik van individuele verwarmingsmeters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmteverbruik te meten, worden er individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het water van elke radiator te meten. Tenzij de lidstaat kan aantonen dat het installeren van warmtekostenverdelers niet efficiënt is, maar dan moeten er alternatieve methoden overwogen worden voor het meten van het individuele verbruik.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de eindafnemer al zijn facturen en factureringsinformatie betreffende het energieverbruik kosteloos ontvangt, en dat hij op passende wijze kosteloos toegang heeft tot zijn verbruiksgegevens.
Als het meten, verdelen en berekenen van het daadwerkelijke individuele verbruik in appartementen en multifunctionele gebouwen wordt uitbesteed aan derden, mag daarvoor een redelijke vergoeding doorgerekend worden aan de eindafnemer.

De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over zijn verbruiksverleden. Te weten:

cumulatieve gegevens over het verbruik van de 3 voorgaande jaren (tenzij het leveringscontract recenter is); en

gedetailleerde gegevens over het verbruik van elke dag, week, of jaar en dit over een periode van ten minste 24 maanden (tenzij het leveringscontract nog niet zo lang bestaat).

Deze voorschriften uit de Energie-efficiëntierichtlijn moeten ten laatste op 5 juni 2014 omgezet zijn in nationaal recht.

Bron: Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG (Ecodesignrichtlijn) en 2010/30/EU (Energieprestatierichtlijn) en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG (WKK-richtlijn) en 2006/32/EG (Energiedienstenrichtlijn), Pb.L. 14 november 2012, afl. 315.