Wetgever voert strijd tegen schijnzelfstandigen en schijnwerknemers op

De wetgever bindt de strijd aan met schijnzelfstandigen en schijnwerknemers. Hij voert een weerlegbaar vermoeden in voor het al dan niet aanwezig zijn van een band van ondergeschiktheid binnen de arbeidsrelatie. Bij het vaststellen van de criteria die men gebruikt om de arbeidsrelatie te beoordelen, kiest de wetgever resoluut voor een sectorale benadering met een vereenvoudigde procedure.

Schijnstatuut

Werknemers meten zich wel eens ten onrechte een zelfstandigenstatuut aan, en omgekeerd. Schijnzelfstandigheid biedt immers een besparing op de arbeidskost en maakt zwartwerk mogelijk. Bovendien zijn de beschermende maatregelen voor werknemers hier niet van toepassing. Door zich daarentegen ten onrechte uit te geven als werknemer (schijnwerknemers) opent men ten onrechte sociale zekerheidsrechten in het stelsel van de werknemers.

Vaak zal een herkwalificatie zich opdringen, met toepassing van het bijhorende regime in de sociale zekerheid. Het onderscheidend criterium is de aan- of afwezigheid van een band van ondergeschiktheid tussen de partijen. Wanneer tegen loon arbeid wordt verricht onder het gezag van een ander persoon, is er een arbeidsovereenkomst. Omgekeerd duidt de afwezigheid van een ondergeschikt verband op het bestaan van een aannemingsovereenkomst tussen een zelfstandige en zijn medecontractant.

Administratieve commissie

Om de kwalificatie van de arbeidsrelaties vlotter te laten verlopen, heeft de Arbeidsrelatiewet eind 2006 een specifieke commissie opgericht: de 'Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie'. De normatieve afdeling van de commissie werkt op het niveau van de sector of een beroep, terwijl de administratieve kamers in concrete dossiers bepalen welk SZ-stelsel van toepassing is op de arbeidsrelatie. De arbeidsrechtbanken behouden wel hun soevereine macht om de aard van de arbeidsrelatie te beoordelen.

Maar de commissie is op dit moment nog altijd niet operationeel. Daarom wordt de normatieve afdeling van de commissie nu opgeheven door een wet van 25 augustus 2012. Het is immers de bedoeling om de invoering van specifieke criteria voor de beoordeling van de arbeidsrelatie via een vereenvoudigde procedure te laten verlopen.

De commissie wordt dus de 'Administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie'. Ze heeft meerdere kamers die elk samengesteld zijn uit een gelijk aantal leden die benoemd worden door de Koning. Elke kamer wordt voorgezeten door een beroepsmagistraat. De sociale partners van de sector kunnen gehoord worden door de commissie.

De samenstelling en de werking van de administratieve commissie wordt later uitgewerkt bij KB.

Specifieke criteria

Er geldt voortaan een nieuwe vereenvoudigde procedure die men moet volgen om de criteria vast te leggen voor de beoordeling van de arbeidsrelatie. Ze vullen voor bepaalde sectoren of beroepen de algemene criteria uit de Arbeidsrelatiewet aan.

In de bestaande adviesprocedure speelde de normatieve afdeling van de rulingcommissie nog een rol. Nu is dat niet meer het geval. De Koning bepaalt de specifieke criteria, na advies van:

Het Directiecomité van het Federaal aansturingsbureau van de sociale inlichtingen en opsporingsdienst.

De bevoegde paritaire comités of subcomités. Dit advies wordt gegeven door de Nationale Arbeidsraad wanneer verschillende paritaire comités bevoegd zijn, of wanneer er geen bevoegd of werkend paritair comité of subcomité is.

De Hoge raad voor de zelfstandigen en de K.M.O.

De adviezen moeten binnen de vier maanden gegeven worden.

Vermoeden

Daarnaast voert de wet van 25 augustus 2012 een vermoeden in dat wijst op het bestaan van een gezagsverhouding. Dit op basis van bepaalde criteria. Een dergelijk vermoeden bestaat op dit moment niet in de Arbeidsrelatiewet.

De wetgever somt een reeks criteria op die bepalen of er al dan niet sprake is van een band van ondergeschiktheid. Er is namelijk een weerlegbaar wettelijk vermoeden van ondergeschiktheid wanneer meer dan de helft van die criteria vervuld zijn in hoofde van degene die de werken uitvoert. De arbeidsrelatie zal in dat geval dus vermoed worden een arbeidsovereenkomst te zijn!

Het gaat om volgende criteria:

Financieel of economisch risico.

Verantwoordelijkheid en beslissingsmacht over de financiële middelen.

Beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming.

Beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming (behoudens wettelijke prijzen).

Resultaatsverbintenis voor de overeengekomen arbeid.

Garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties.

Zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel, of het ontbreken van de mogelijkheid om voor het werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen.

Zich niet voordoen als een onderneming of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken.

Werken in ruimtes waarvan men niet de eigenaar of de huurder is, of werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant.

De Koning kan specifieke criteria vastleggen voor bepaalde sectoren en beroepen. Hij kan de bestaande criteria vervangen of aanvullen. Ook hier moet hij daarvoor de hierboven beschreven adviesprocedure volgen. Dit maakt een sectorale aanpak mogelijk.

De criteria moeten elementen bevatten die wijzen op een socio-economische afhankelijkheid of juridische ondergeschiktheid.

Toepassing

Het nieuwe vermoeden is een weerlegbaar vermoeden. Het kan weerlegd worden door alle middelen van recht, onder andere op basis van de in de Arbeidsrelatiewet bepaalde algemene criteria.

Het toepassingsgebied van dit vermoeden is beperkt. Het is enkel van toepassing in volgende sectoren:

Bouwsector: de sector van werken in onroerende staat.

Bewakingssector: de sector van de bewakings- en/of toezichtsdiensten.

Transportsector: de sector van vervoer van goederen en/of personen voor rekening van derden, met uitzondering van de ambulancediensten en het vervoer van personen met een handicap.

De schoonmaaksector.

De Koning kan dit lijstje aanvullen. Maar dan moet hij wel de hierboven genoemde adviesprocedure doorlopen.

Het vermoeden is ook niet van toepassing op familiale arbeidsrelaties. Dit zijn arbeidsrelaties tussen:

bloedverwanten en aanverwanten tot de derde graad en tussen wettelijk samenwonenden;

een vennootschap en een natuurlijk persoon, waarbij de natuurlijk persoon een bloedverwant of aanverwant is tot de derde graad van, of wettelijk samenwoont met, hetzij degene die alleen hetzij zij die samen, meer dan 50% van de aandelen bezitten van de bedoelde vennootschap.

Tot slot kunnen we nog meegeven dat de bepalingen die de beslissingsbevoegdheid van de commissie regelen, in overeenstemming gebracht worden met de invoering van het nieuwe vermoeden en de afschaffing van de normatieve afdeling van de Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie. Voortaan wordt het ook mogelijk voor (toekomstige) partijen om hun arbeidsrelatie tot een jaar na de aanvang ervan aan de commissie voor te leggen.

In werking

Globaal genomen treedt de wet van 25 augustus 2012 in werking op 21 september 2012. Dat is 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad. De bepalingen die de werking van de administratieve commissie regelen, treden ten laatste in werking op 1 januari 2013. Maar de Koning kan ze sneller in werking laten treden.

Bron: Wet van 25 augustus 2012 tot wijziging van Titel XIII van de programmawet (I) van 27 december 2006, wat de aard van de arbeidsrelaties betreft, BS 11 september 2012