Strafonderzoek stuit voortaan verjaring sociale schulden

De verjaring van de schuldvorderingen van de RSZ wordt voortaan gestuit door de instelling of de uitoefening van de strafvordering en door daden van onderzoek of daden van vervolging.

Verjaringstermijn

Werkgevers moeten hun RSZ-bijdragen ten laatste betalen op de laatste dag van de maand die volgt op het betreffende kwartaal. Doen ze dit niet, dan begint een verjaringstermijn van 3 jaar te lopen vanaf de dag van de opeisbaarheid van de bijdragen. De RSZ kan die verjaring stuiten. Vanaf de dag die volgt op de stuiting start een nieuwe termijn van 3 jaar. In bepaalde gevallen wordt de verjaringstermijn opgetrokken tot 7 jaar.

Maar de stuiting is een probleem tijdens de strafprocedure. Komt er binnen de 3 jaar geen definitieve veroordeling of minnelijke schikking uit de bus, dan kan de rechter de onderneming niet meer ambtshalve veroordelen tot betaling van de RSZ-schulden. Die ambtshalve veroordeling komt er wanneer de correctionele rechtbank een werkgever veroordeelt omdat hij zijn bijdrageplicht niet nakomt. De werkgever zal de achterstallige bijdragen moeten betalen, met bijdrageopslagen en de verwijlinterest.

De RSZ loopt op dit moment dus veel inkomsten mis. Want de onderzoekshandelingen van de sociale inspectie of de rechterlijke macht duren soms langer dan de verjaringstermijn. Daardoor vervalt de schuld.

Stuiting

Daarom zorgt de programmawet (I) van 29 maart 2012 ervoor dat de verjaring automatisch gestuit wordt, ook wanneer een bedrijf in een strafrechtelijke procedure is verwikkeld. De schuldvorderingen van de RSZ blijven voortaan dus ook bij een aanslepende strafprocedure overeind. Want de verjaringstermijn wordt telkens opnieuw gestuit.

De wetgever past de RSZ-wet aan. Hij bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door 'de instelling of de uitoefening van de strafvordering, alsook door daden van onderzoek of daden van vervolging'. Bovendien verwijst hij daarbij uitdrukkelijk naar de nieuwe hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale schulden. De verjaringstermijn van 3 jaar geldt dus ook voor deze gevallen.

In werking

Dit onderdeel van de programmawet treedt in werking op 6 april. Dat is de dag waarop de wet verschenen is in het Belgisch Staatsblad.

Bron: Programmawet (I) van 29 maart 2012, BS 6 april 2012 (art. 83-84 PW I)

Zie ook:
Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, BS 25 juli 1969 (art. 42 RSZ-wet)