Het nieuwe tijdskrediet

Het recht op onderbrekingsuitkeringen bij tijdskrediet wordt ingeperkt. Daartoe wordt het KB dat die uitkeringen regelt, aangepast. Maar omdat het referentiekader - de CAO nr. 77bis - (voorlopig) onaangeroerd blijft, rijzen er op dit moment nog toepassingsvragen ?

Tijdskrediet

Het recht op tijdskrediet wordt geregeld door de CAO nr. 77bis en door sectorale cao's. Dankzij die CAO nr. 77bis kunnen werknemers in de privésector onder bepaalde voorwaarden hun arbeidsprestaties:

ofwel volledig schorsen of ze met de helft verminderen (het 'tijdskrediet in enge zin'),

ofwel met 1/5 verminderen.

Daarnaast bevat de CAO nr. 77bis ook een bijzonder stelsel voor oudere werknemers.

Het recht op onderbrekingsuitkeringen staat los van het recht op tijdskrediet. Want het recht op forfaitaire RVA-uitkeringen wordt apart geregeld, in een KB van 12 december 2001. Een werknemer kan dus recht hebben op tijdskrediet zonder dat hij tegelijk ook recht heeft op een uitkering. De voorwaarden die gekoppeld zijn aan beide rechten zijn immers niet volledig gelijklopend. Al moet de werknemer sowieso voldoen aan de voorwaarden uit de CAO nr. 77bis om recht te kunnen hebben op een uitkering.

Voor het recht op uitkeringen wordt een onderscheid gemaakt tussen gemotiveerd en niet-gemotiveerd tijdskrediet. Het gaat om tijdskrediet zonder een motief enerzijds, en tijdskrediet om zorgtaken te vervullen of een opleiding te volgen anderzijds.

Zonder motief

Bij tijdskrediet zonder motief heeft de werknemer voortaan recht op een uitkering voor een maximum equivalent van 12 maanden volledige schorsing van de arbeidsprestaties (gedurende de volledige beroepsloopbaan). Dit betekent dus:

12 maanden volledige schorsing van de arbeidsprestaties, of

24 maanden vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, of

60 maanden 1/5 loopbaanvermindering, of

een combinatie van deze stelsels tot het voltijds equivalent van 12 maanden bereikt wordt.

Bovendien geldt een strengere anciënniteitsvoorwaarde. De werknemer moet voortaan een beroepsloopbaan als loontrekkende hebben van minstens 5 jaar. En hij moet 2 jaar anciënniteit hebben bij zijn huidige werkgever. Dit betekent ?door een arbeidsovereenkomst met de huidige werkgever verbonden zijn gedurende tenminste 2 jaar'.

Let op! Deze anciënniteitsvereisten gelden niet voor werknemers die tijdskrediet nemen nadat ze hun recht op ouderschapsverlof voor alle rechtgevende kinderen volledig uitgeput hebben. Dit tijdskrediet moet dan wel onmiddellijk aansluiten op het ouderschapsverlof.

Met motief

Bij tijdskrediet met motief wordt een bijkomend recht op uitkeringen toegekend van 36 maanden voor zorgtaken of voor het volgen van een opleiding. Voor de verzorging van een zwaar ziek of gehandicapt kind wordt een bijkomend krediet van 48 maanden toegekend. Dit bovenop de 12 maanden onderbrekingsuitkeringen (of een equivalent daarvan) die toegekend worden bij tijdskrediet zonder motief. De duur van het bijkomend recht verschilt dus naargelang de motivatie.

Let op! Dit bijkomend recht wordt niet proportioneel verrekend bij de opname in een deeltijdse formule. Het gaat hier om een kalenderperiode van 36 of 48 maanden. Gemotiveerd tijdskrediet met uitkeringen wordt dus als volgt opgenomen:

36 maanden of 48 maanden voltijds, of

36 maanden of 48 maanden halftijds, of

36 maanden of 48 maanden 1/5, of

een combinatie van die formules, met een maximum van 36 of 48 maanden.

Is er een motief, dan moet de werknemer bij de aanvraag geen 5 jaar anciënniteit hebben. Maar hij moet op dat moment wel 2 jaar bij zijn huidige werkgever gewerkt hebben.

Het extra krediet van 36 maanden wordt toegekend voor werknemers die:

zorgen voor een kind tot de leeftijd van 8 jaar;

palliatieve zorgen verlenen;

een zwaar ziek gezins- of familielid verzorgen of bijstaan;

bepaalde opleidingen volgen.

De schorsing van de arbeidsprestaties (of de periode van verlenging) moet aanvangen vóór het kind 8 jaar wordt. Bij adoptie kan de schorsing van de arbeidsprestaties ingaan vanaf het tijdstip van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister.

De opleiding moet een basisopleiding zijn, een opleiding gericht op het behalen van een diploma of getuigschrift van het secundair onderwijs, of een door de gemeenschappen of de sectoren erkende opleiding. De gemeenschap of de opleidingsinstelling bevestigen op het aanvraagformulier dat de werknemer geldig is ingeschreven. En binnen de 20 kalenderdagen na elk kwartaal moet de werknemer een attest van regelmatige aanwezigheid indienen bij de RVA.

Bij tijdskrediet voor (palliatieve) zorgverlening hanteert men dezelfde begrippen als bij de thematische verloven. De behandelende geneesheer moet op het aanvraagformulier bevestigen dat de werknemer de zorgtaken op zich neemt, zonder hierbij de identiteit van de patiënt te vermelden.

Het extra krediet van 48 maanden wordt toegekend voor werknemers die:

zorg dragen voor hun gehandicapt kind tot de leeftijd van 21 jaar; of

bijstand of verzorging verlenen aan hun zwaar ziek kind of aan een zwaar ziek kind dat deel uitmaakt van hun gezin.

De behandelende geneesheer van het kind bevestigt op het aanvraagformulier dat de werknemer zich bereid heeft verklaard bijstand of zorg te verlenen. Het gehandicapt kind moet voor minstens 66% getroffen zijn door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, of een aandoening hebben waarvoor minstens 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal van de kinderbijslagregeling. Het verlenen van bijstand of verzorging wordt ook hier op dezelfde manier ingevuld als bij het thematisch verlof.

Let op! Periodes van tijdskrediet (met uitkeringen) voor zorgverlening of opleiding worden in mindering gebracht van het extra krediet van 48 maanden. Periodes van tijdskrediet (met uitkeringen) voor de verzorging van een ziek of gehandicapt kind worden in mindering gebracht van het extra krediet van 36 maanden, met uitzondering van de eerste 12 maanden.

Landingsbaan

Oudere werknemers hebben recht op een bijzonder tijdskrediet met hogere uitkeringen. Ze kunnen kiezen voor een halftijdse of 1/5 formule.

De onderbrekingsuitkering wordt zonder maximumduur toegekend aan 55-plussers met een beroepsloopbaan van minstens 25 jaar op het ogenblik van de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever. Vroeger was dit 51 jaar.

Voor werknemers die een zwaar beroep uitoefenden dat voorkomt op de lijst van de knelpuntberoepen ligt de minimumleeftijd op 50 jaar. Het gaat om 5 jaar in een zwaar beroep tijdens de laatste 10 jaar, of 7 jaar tijdens de laatste 15 jaar. Een 'zwaar beroep' staat voor werken in wisselende ploegen, in onderbroken diensten, of in ploegen met nachtwerk. Het begrip zwaar beroep kan na advies van de NAR aangepast worden.

Uitkering

De uitkering bedraagt 364,55 euro per maand voor werknemers die hun voltijdse arbeidsprestaties volledig schorsen. Heeft de werknemer minstens 5 jaar anciënniteit bij zijn werkgever, dan wordt dit bedrag opgetrokken tot 486,07 euro.

Bij een vermindering tot een halftijdse job bedraagt de maanduitkering 182,27 euro, of 243,03 euro voor werknemers die minstens 5 jaar aan de slag zijn bij hun werkgever. Wie zijn arbeidsprestaties met één dag of twee halve dagen per week vermindert, heeft recht op 120,03 euro per maand. Voor alleenwonende werknemers wordt dat bedrag opgetrokken tot 154,90 euro.

Onder een alleenwonende werknemer wordt hier verstaan de werknemer die alleen woont en de werknemer die uitsluitend samenwoont met een of meerdere kinderen die hij ten laste heeft.

De uitkering voor werknemers met een landingsbaan bedraagt 168,64 euro per maand bij een loopbaanvermindering met een dag of twee halve dagen per week. Verminderen ze hun arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, dan hebben ze recht 363,06 euro per maand. Voor de alleenwonende werknemer wordt het bedrag van 168,64 euro opgetrokken tot 203,51 euro per maand.

Overgang

De bestaande regeling blijft van toepassing op:

alle eerste aanvragen of verlengingsaanvragen van uitkeringen die de RVA vóór 24 december 2011 ontvangen heeft, voor zover de werkgever vóór 28 november 2011 schriftelijk op de hoogte werd gebracht door de werknemer;

de eerste verlengingsaanvraag na 31 december 2011 van 50-plussers die in 2011 al onderbrekingsuitkeringen kregen in het kader van een tijdskrediet op het einde van de loopbaan. Het gaat hier om oudere werknemers die al in het stelsel zitten maar die de regeling nog niet tot aan hun pensioenleeftijd hadden aangevraagd.

Voor aanvragen die een aanvang nemen vóór 1 januari 2012 geldt sowieso de oude regeling.

In werking

Het KB van 28 december 2011 treedt in werking op 1 januari 2012. De nieuwe regeling geldt voor alle eerste aanvragen of verlengingsaanvragen voor uitkeringen die ingaan na 31 december 2011. In het verleden opgenomen krediet wordt verrekend.

Bron: Koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, BS 30 december 2011

Zie ook:
Koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, BS 18 december 2001